136 □verzicht van de belangrijkste plannen tot verbetering, 1817 - 1927. In de 19e eeuw komt er een hele reeks voorstellen tot verbetering van de afwatering van de vallei. In 1842 verschijnt onder andere het boekje De verbetering der waterafleiding in de Gelderse Vallei in ver band met de daarstellinq eener kanaalvaart in deze landstreek, Utrecht 1842, door van flsch van lilijk. De schrijver heeft vele voettochten door het gebied gemaakt en geeft de volgende beschrijving (blz.116-17) "Wanneer men van Scherpenzeel den weg naar den Walderveenschen molen, of dien naar Achteveld inslaat, doorkruist men in verschillende rigting- en de lage, dikwijls met kleine poelen of waterplassen bedekte velden. Wanneer men, in den winter, den Ouden Postweg of den Hessenweg van Ede over Lunteren naar Amersfoort berijdt, zoude men meenen, dat zij langs den boord van een uitgestrekt meer loopt, hetwelk zich tot aan Achteveld uitstrekt." Al deze wateroverlast zorgt ervoor dat het land slecht blijft. Akker en bosbouw blijft moeilijk in dit gebied, en levert slechts een karig inkomen. Hij bepleit de aanleg van een afwateringskanaal daar dit twee doelen kan dienen: - Verbetering van de afwatering zal het land verbeteren. De akkerbouw zal meer opbrengen. - Het kanaal dient tevens voor de schuitevaart. Vervoer van goederen per schuit is veel goedkoper dan het vervoer per kar over de zandwegen. Hij noemt tevens de boer Cornelis van Valkengoed, die elke week zijn boter en eieren per roeiboot over de Barneveldse beek naar de markt in Amersfoort brengt. In het midden van de 19e eeuw gaat men echter over tot het bestraten van de zandwegen. Het vervoer van goederen per paard en wagen en ook per spoor gaat veel sneller. De schuitevaart is geen argument meer en over de afwatering blijft men verschillen van mening. In de jaren 1843-45 is er een commissie die werkt aan een onderzoek naar de Grebbelinie, naar de inundatiemogelijkheden en de herstelmoge lijkheden. Zij komt met het voorstel het aan te leggen afwateringskanaal tevens voor scheepvaart geschikt te maken. Ook hier komt geen vervolg op. In de jaren '50 van de 19e eeuw wordt weer een commissie ingesteld. Zij komt met een voorstel dat een combinatie bevat van afwaterings- en scheepvaartkanaal en waarbij rekening gehouden wordt met de belangen van defensie. Het rijk is bereid mee te betalen, Utrecht is bereid te betalen, maar Gelderland voelt niets voor een kanaal met scheepvaart, 137 Utrecht niet voor een kanaal zonder. Er komt dus ook geen vervolg op deze voorstellen. Dit gaat zo door tot in de 20e eeuw. In 1913 wordt de Kanaal-vereniging "de Gelderse Vallei" opgericht. Zij beoogt de bevordering van de totstandkoming van een scheepvaartkanaal. Door de vereniging worden enige studies uitgegeven. Er wordt in de jaren twintig hard gewerkt aan de uitwerking van voorstellen. De provincies Utrecht en Gelderland zijn echter moeilijk op een lijn te krijgen. Dan zijn de Zuiderzeewerken zo dichtbij, dat de bestaande plannen aangepast moeten worden. In 1927 wordt besloten af te zien van de plannen door de Staten van Utrecht en de Staten van Gelderland. Tot twee maal toe bestond de kans dat de Vallei een groot scheepvaartkanaal zou krijgen. - In 1881 werd door de Tweede Kamer met een meerderheid van maar één stem besloten het tracé van het Merwedekanaal te leggen van Amsterdam via Utrecht naar Vreeswijk. - In 1930 werd het tracé van het Amsterdam-Rijnkanaal vastgesteld. Zoals bekend werd het pleit gewonnen door de stad Utrecht en werd het tracé vastgesteld op: Amsterdam - Utrecht - UJijk bij Duurstede. door mevrouw Gierman Eerste aanzet voor een nieuw pand.

Digitaal tijdschriften archief - Archief Eemland

Historische Kring Leusden | 1987 | | pagina 7