162 163 Uit de oude doos Het Leusdense gemeentearchief herbergt tal van interessante stukken uit vroeger tijd. In dozen met niet geordende documenten uit het begin van de 19e eeuw is van alles te vinden, lile beginnen met 3 januari 1814, een schrijven van de commissaris van het Arrondissement Amersfoort, getekend Snouckaert. Het briefpapier vermeldt nog onderprefect, maar dat wordt doorgehaald. De Fransen zijn dan ook maar nauwelijks vertrok ken uit deze streek. V/olgens overlevering liet dezelfde Snouckaert (een belangrijk man in die tijd met kennelijk diplomatieke gaven) de Fransen op 28 november 1813 met zijn lantaarntje (nog in Flehite) de poort uit en daarna de Kozakken aan de andere kant weer binnen. Dit alles gebeurde in Amersfoort. De Leusdense landstorm wordt bewapend. "Ingevolge de publicatie van zijne Koninklijke Hoogheid moeten alle diegenen welke in de landstorm vallen en geen geweer bezitten gewapend worden met een piek te betalen door de gemeentekassen. Daar ik de model len der pieken bekomen hebben, zo moet U mij opgeven hoe veel U er waar schijnlijk zult nodig hebben voor Uw gemeente en of U het verkiest de zelve te laten maken, danwel of ik dezelve zal aanbesteden." Zo schrijft de voormalig onderprefect. Op de brief aangetekend "12 januari beantwoord 60 pieken voor deze gemeente bij aanbesteding laten maken." Uitgave van Dale 1884 vermeldt: piek lans met een platte ijzeren punt waarmede voor de invoering van de bajonet het voetvolk gewapend was. De landstorm bestemd voor verdediging van eigen Leusdens gebied moest hier mee de vijand afwachten. Was de toestand zo nijpend De Fransen waren in januari 1814 op volle terugtocht maar men vertrouwde het blijkbaar nog niet. Op 19 maart volgt het bericht: "U moet de 60 pieken voor de landstorm besteld uiterlijk a.s. woensdag doen afhalen tegen betaling van ƒ1.- per stuk, dus in totaal 60.-V Toen was het al twee maanden later. Napoleon was al bijna tot Parijs teruggedrongen en de Leusdense mannen behoefden met dit eenvoydige wapen geen legerscharen meer te keren. De pieken zullen overigens wel uitgedeeld zijn, al hebben wij daar nog niets over gevonden. Het is niet waarschijnlijk dat na bijna twee eeuwen nog een piek uit deze serie op een Leusdense zolder aanwe zig is. De landmilitie gaat op mars naar Amsterdam. Het contingent landmilitie (het staands leger) door loting onder toe zicht van de burgemeester aangewezen, moet zich op 23 februari op mars begeven naar Amersfoort. De volgende dag moet naar Amsterdam gemarcheerd worden. Het Leusdense groepje telt ca. 20 man waaronder bekende namen als Jan Schouten en Wulfert Tolboom. Ook remplacanten zijn er bij,- voor enig geld kon men wel van de dienst afkomen. Maar ook dat kan misgaan. Er komt bericht dat de remplacant van Peter van de Bogaard voor vallende ziekte is afgekeurd. Om die reden moet betrokkene onverwijld een nieuwe remplacant voorstellen of zelf komen. Aantekening op dit schrijven: "woordelijk bekend gemaakt". Niet alle Leusdenaren zijn enthousiast voor de dienst. De burgemeester ontvangt opgave van een aantal van hun bataljon gedeserteerden. Deze moe ten zo spoedig mogelijk door de veldwachter in bewarihg worden gesteld en naar Amsterdam worden getransporteerd. Van een tweetal wordt vermeld: "terstond gearresteerd en heengezonden". Aanmelding voor de Koninklijke lijfwacht. Op 22 januari 1814 komt bericht binnen dat Zijne Hoogheid aangenomen heeft het plan voor oprichting van een lijfwacht onder leiding van de heren De Smets c.s. "Dat alle en de een iegelijk welke lust heeft zig in deze lijfwagt te doen aannemen, zig kan adresseren aan de voorm. he ren te Den Haag woonachtig. Deze lijfwagten zullen den naam van wage- meester hebben dog zij moeten zig op hunne eigene kosten uitrusten en blijven dienen". Een erebaan dus waarbij men zeker in het begin geld mee moest nemen. Dit gold ook voor het even later aangekondigde Corps vrijwillige jagers onder Prins Frederik. Ook hier geen soldij, wel voor delige plaatsing en voorkeur bij het bekleden van ambten. Militaire bedrijvigheid. Dat komt men steeds weer tegen in die tijd. Het kwam voor dat Hollandse officieren voor hun particuliere dienst rijtuigen en paarden vorderden. Bij eenvoudige lieden in afgelegen streken slaagde men daar kennelijk nog wel in. Dat kan natuurlijk niet door de beugel. Op 11 februari 1814 schrijft de Commissaris-Generaal van Oorlog dan ook dat dit uit drukkelijk verboden is. In gevallen dat men ver van de grote wegen moet reizen en geen verhuurders aanwezig zijn, moeten de officieren zich tot het gemeentebestuur wenden. Tegen afgifte van een bon of recepis met ver melding van legeronderdeel en commandant moeten zij dan door de gemeente bestuurders worden verder geholpen. Ook in directe opdracht van het rij' moet de gemeente transportmiddelen leveren. Nog op 8 mei wordt gemeld dat de doortocht van troepen door de stad Utrecht voortduurt. Leusden moet gedurende drie dagen zes wagens met twee paarden leveren. In een

Digitaal tijdschriften archief - Archief Eemland

Historische Kring Leusden | 1988 | | pagina 6